Jobs toont de vroege jaren van de gelijknamige Apple-oprichter Steve Jobs, van het klussen in de garage van zijn ouders tot de bekendmaking van de iPod.
In Jobs van regisseur Joshua Michael Stern vertolkt de gelijkende Ashton Kutcher de overleden Apple-visionair in de periode voordat deze zijn kenmerkende zwarte coltrui ging dragen. Dat wil zeggen: gedurende de uitvinding van Apple’s eerste computers, in de garage van zijn adoptieouders samen met Steve Wozniak, zijn opeenvolgende vertrek bij het grote computerbedrijf dat hij zelf oprichtte en vlak voor zijn terugkeer met de iMac, de iPod en iTunes, waardoor hij Apple, toen hij stierf, nog veel groter achterliet. Jobs was een onorthodoxe leider, over wiens prestaties als CEO van Apple niet getwist hoeven te worden: twee maanden voor Jobs vroegtijdige overlijden aan kanker werd Apple gekroond tot meest waardevolle bedrijf op de beurzen. De filmbiografie Jobs neemt echter deze al uitzonderlijke prestaties en creëert een romantische scheppingsmythe die boven de man uitstijgt.
Hoezeer een op feiten gebaseerde, biografische film waarheidsgetrouw moet zijn, is een onmogelijk dilemma. Enerzijds is het wel zo eerlijk naar de toeschouwer toe om op zijn minst een genuanceerd beeld te geven, opdat deze inzicht krijgt in de situatie die hem/haar voorgelegd wordt. Anderzijds blijft het fictief vermaak, wat uiteraard vermakelijk moet zijn. Een stoffig verslag van een stel computernerds zal een film als kunstwerk niet gauw verheffen, maar de meesterlijke samenwerking tussen David Fincher en Aaron Sorkin The Social Network (2010) toonde reeds dat zelfs een gedramatiseerde biografie complex, genuanceerd en impliciet kan zijn: iedereen die de film ziet heeft een andere visie op de hierin geportretteerde Mark Zuckerberg en de ambitie van Facebook. De ambigue portrettering zet aan tot denken; de film is mede dankzij Sorkins slimme script de perfecte balans tussen toegankelijkheid en gelaagdheid. Helaas kan over Jobs niet hetzelfde gezegd worden.
Jobs verschilt in opzet weinig: Steve Jobs is een idiosyncratische leider, deels genie, deels klootzak. In de beoogde ambitie voor Apple moet hij keuzes maken tussen het bedrijf of zijn vrienden, waardoor hij zijn omgeving onvermijdelijk vervreemdt. Maar Jobs wordt hier niet neergezet als complexe martelaar van de technologische revolutie of als een volledige mens. Integendeel, Jobs leunt te weinig op haar personages, die prima gespeeld zijn – Kutcher hoeft het niet alleen te hebben van zijn gelijkenis, maar speelt tegen verwachtingen in een goede rol – maar op hopeloos afgezaagd sentiment. Er heerst in Silicon Valley al enige tijd het idee dat de technologische innovaties en vondsten die daar gedaan worden, wezenlijk de levens verbetert van iedereen met het geld voor een iPhone. Jobs gaat hier maar al te graag in mee.
Het begint al met de constante bruin-oranje tint waar de film in baadt: het verandert de Californische campussen en buitenwijken tot een zonovergoten paradijs, waar ’s werelds grootste verzameling genieën de toekomst vormen met een soldeerbout. Dit gevoel wordt nog eens extra kracht bijgezet door ontzettend nationalistisch Amerikaanse classic rock. Er zijn niet veel andere redenen om Joe Walsh te draaien over beelden van een moeilijk kijkende Steve Wozniak achter een schimmig bureautje.
De personages krijgen op hun beurt weinig liefde. Dit is een film over de mensen achter Apple, maar deze worden enkel ingezet als vehikels voor het spuwen van lyrische, citaatwaardige teksten over de grootsheid van waar ze mee bezig zijn (computers maken) en af en toe een sneer naar Jobs’ onuitstaanbare karakter. Jobs zelf is evenzo niet zozeer een volledige mens, maar eerder een tweedeling van persoonskenmerken tussen ongrijpbare visionair met een constant priemende, indringende blik en goede ideeën, en de ondraaglijke persoon die ontkent dat de zwangerschap van zijn vriendin zijn schuld is, of in een vlaag van frustratie zijn beste programmeur ontslaat. Wanneer Steve geërgerd een haperende discman probeert te pauzeren, wordt het fundament van zijn inspiratie voor de iPod gelegd. Er wordt tevens geen woord gerept over Jobs’ leengedrag van andere bedrijven als Xerox, maar wel zijn agressieve bescherming van Apple tegenover andere imitators als Bill Gates. In plaats van het vertellen van het verhaal van de mensen die Apple oprichtten, begint de film vanaf de scheppingsmythe, de Apple- en Silicon Valley-ideologie, en lijkt daar vervolgens de personages de slaaf van te maken. De gehele film staat in dienst van dit idee.
Dat maakt de personages spijtig genoeg ééndimensionaal (of twee, in Steves geval) en bijzonder oninteressant. Wanneer de film verzandt in de uitgerekte strijd om Apples leiderschap, in suffe jaren-’80-vergaderzalen, is het onmogelijk om nog sympathie op te brengen voor de slapjes uitgewerkte cast. De film probeert het wel tegen wil en dank, maar expliciteert teveel met de sentimentele muziek, idyllische sfeer en de zelfingenomen grootsheid van alles wat met Apple te maken heeft. Door bij de kijker dit sentiment door de strot te duwen wordt een averechts effect bereikt.