Knalland is een samenwerking tussen beginnende kunstenaars. Het is een verfrissende onderneming, maar hoe bevalt het resultaat?
Ongeveer een jaar geleden is het initiatief Knalland opgezet door de Utrechtse Casper Adrien en Tommy Ebben. De opzet is om met verschillende kunstenaars in de wijk Kanaleneiland een multidisciplinair kunstwerk te maken. Als eerste is nu het album Knalland verschenen. Muzikanten van onder andere Kensington, Mister & Mississippi, The Kyteman Orchestra en Oh, Brave Wide Eyes hebben samengewerkt aan dit folk-epos.
Al nemen de initiatiefnemers het heft in eigen handen, de muziek getuigt van een creatieve passiviteit die een sterk contrast met de onderneming zelf schept. Knalland is doorspekt van onopmerkelijke folk die stevig leunt op de imitatie van het doodgeslagen genre. Ondanks dat er veel verschillende artiesten aan het album hebben meegewerkt, klinkt vrijwel alles hetzelfde. Enerzijds brengt dit eenheid, anderzijds toont het een betreurenswaardig gebrek aan zelfkennis. Zonder blikken of blozen wordt de muziek van bekende artiesten geplunderd. De zangers lijken zelfs hun best te doen om te klinken (en te ogen) als Robin Pecknold (‘Brick by Brick’, ‘Summer Colony’) of Dan Auerbach (‘Fallen Heart’, ‘Father Please’) zonder ooit datzelfde niveau te bereiken. Dit wordt het duidelijkst wanneer Adriens stem op ‘Father Please’ beeft en breekt in een poging het gegrom van de Black Keys te imiteren. ‘Stones’ van Kensington-zanger Eloi Youssef wekt zulke kenmerkende Mumford & Sons-sentimenten dat de luisteraar elk moment een hyperactieve banjo zou kunnen verwachten. De poging om de textuur te verrijken met shoegaze-achtige gitaareffecten slagen ook niet helemaal, omdat de herrie beperkt blijft tot een beleefde inkleuring van de achtergrond.
Nitsuh Abebe omschreef een paar jaar geleden op sceptische wijze Bon Ivers muziek als het hebben van “no edges, no contours, no particularly distinct lyrics”. Deze woorden kunnen nu wederom gebruikt worden om Knalland te omschrijven. Het album toont geen durf; nergens is een uitdagende klank te bespeuren. Wanneer in ‘Hide From Me’ de drums een indrukwekkende wending nemen, is de fade-out al ingezet. Desalniettemin is de muziek, ondanks het ontbreken van een definieerbare identiteit, groots en meeslepend in opzet. Van begin tot eind is het album gehuld in een galmende klank. De herkenbare Kytopiaanse bombast is op meerdere nummers toegepast, zonder dat de muzikanten zich ooit lijken af te vragen wat de functie ervan is. Waarom heeft een vlak bluesnummer een twintigkoppig koor nodig? De militante trommels die sommige nummers trachten voort te stuwen raken kant noch wal, omdat de muziek al te traag en melodramatisch van aard is. En het is lastig te verklaren waarom (oud-)studenten met een lage huur en dure gitaren zoveel drama hebben te bezingen. Er is in de muziek geen greintje humor of zelfreflectie te bekennen.
Aan het individuele talent en de ambitie valt dit niet te wijten, want Knalland staat er bol van. Ondanks de onnodige saaiheid van de compositie van nummers als ‘The Colours of the Drapes’ of ‘Benjamin’ zijn de nummers fundamenteel goed geschreven en is de laatste fantastisch gezongen. ‘A Life Anew’ en ‘Cardiac’ zijn melodieuzer en strakker gestructureerd dan de meeste andere nummers, die soms niet meer lijken dan aangeklede jams en grooves. Vooral de ‘swampy’ bluesnummers kampen met deze kwaal. De oppervlakkige Engelse teksten zijn ook vrij betekenisloos en niet in staat de muziek nog wat aan te kleden.
Het Knalland-initiatief heeft op hoopgevende wijze met dit album haar productiviteit aangetoond. Helaas is de sentimentele folk van het debuut onopmerkelijk en uitgemolken. De muziek bezwijkt onder de onnodige bombast en het blind kopiëren van het eigen genre. Desalniettemin hoop ik oprecht dat Knalland met nog veel meer op de proppen komt, al moeten sommige deelnemers even wakker geschud worden.
Beluister het hele album nu op de Luisterpaal.