Het plot van Grand Central is karig en ook als zodanig uitgewerkt, de setting en muziek zijn dan weer wel interessant. Het maakt de film onevenwichtig.
De kansarme jongere is een graag geziene gast(-arbeider) in de Franse cinema: of het nou de gefrustreerde banlieuejeugd van La Haine (Kassovitz, 1995) is, de guitige ex-gedetineerde Driss in Intouchables (Nackache & Toledano, 2011) of de analfabeet Malik in Un Prophète (Audiard, 2009). Ook Gary (Tahar Rahim) is een jongen die zijn hoofd moeilijk boven water kan houden. Hij heeft een trimestertje gestudeerd, spreekt geen andere taal dan Frans en houdt de meeste baantjes niet al te lang vol. Samen met twee vrienden krijgt hij een aanstelling als dagloner bij een Franse kerncentrale. Het zou nogal voor de hand liggen om vanaf hier de film op te bouwen als protest tegen kernenergie of de onderdrukking van de onderklasse, maar nee: Grand Central wordt een verhaaltje over liefde, trouw en overspel. Gary wordt namelijk verleid door de wulpse Karole (Léa Seydoux, dit jaar nog een Gouden Palm voor haar rol in La Vie d’Adele), de aanstaande vrouw van een van zijn superieuren, Toni (Denis Menochet), en liegt over zijn bestralingspercentage om bij haar te kunnen blijven. Gary moet kiezen (gezondheid of liefde), Karole moet kiezen (minnaar of man) en Toni moet kiezen (de collega ontslaan die zijn leven heeft gered). Tot overmaat van ramp wordt Karole ook nog eens zwanger van Gary.
Allemaal heel ellendig, maar het conflict voelt nergens prangend genoeg om spannend, meeslepend of intrigerend te worden. Hoewel er niet slecht wordt geacteerd, zijn de personages wat vlak. Karole is ondanks haar pittige kapsel en uitgebluste blik woest aantrekkelijk, Toni is een sympathieke rauwdouwer en Gary is de naïeve jongeling met een raar borsthaarpatroon. Daar blijft de emotionele uitdieping bij. Soms is er een crisismoment als er iets fout gaat in de centrale, maar dat is nu eenmaal de risico van het vak. Verder is iedereen in de film eigenlijk heel aardig en redelijk en komt er maar op een enkel moment een emotionele uitbarsting.
Het gebrek aan urgent drama wordt goedgemaakt door de setting: de kerncentrale ziet er afwisselend machtig, sprookjesachtig en buitenaards uit. Het contrast tussen de steriel witte binnenwereld en het nachtleven in ondermaatse kroegjes is mooi in beeld gebracht. Ook met het geluid zit het wel snor: de soundscape van de kernreactor doet denken aan een beklemmend versie van de sounddesigns uit de films van Jacques Tati (Mon Oncle, Playtime) – talloze bliepjes waarvan de betekenis onduidelijk blijft. De muzikale soundtrack is van de Franse artiest Rob (sic), die eclectisch te werk gaat met onder andere vervreemdende Afrikaanse trommels, wrange freejazz en hypnotiserende didgeridoodrones.