Het vijfde album van de Arctic Monkeys is een gemakzuchtig werk dat de afstand naar de luisteraar amper overbrugt.
Weinig hedendaagse bands zijn zo consequent productief als de Arctic Monkeys. Debuut Whatever People Say I Am, That’s What I’m Not uit 2006 is een fantastisch album, wat spijtig afgebakend werd door een lyrische, hypegevoelige pers die het als de redding van Britse rock bestempelde. Sindsdien hebben de Monkeys onvermoeid om het jaar een nieuw album uitgebracht van meer dan schappelijke kwaliteit en met op zijn minst een graad van innovatie – wat niet zo veel bands klaarspelen. Humbug en met name Suck It and See waren prima albums die niet afdeden aan de kwaliteit en potentie van de band, maar werden telkens op ondankbare wijze negatief met het debuut vergeleken en gingen relatief onopgemerkt aan het brede publiek voorbij. Met AM staat de band weer in het middenpunt van de aandacht, maar op het verkeerde moment.
AM wordt overheerst door simpele composities die leunen op kale riffs van losse noten. De compositiekwaliteiten van Alex Turner komen enigszins aan het licht, maar alleen ballades als ‘Fireside’ komen als volwaardig uit de verf. Waarschijnlijk is minimalisme de opzet, maar de Monkeys lijken de ruimte niet open te durven laten en plamuren elke stilte dicht met onophoudelijk galmende zang. In uitschieters als de single ‘Do I Wanna Know’ worden textuur en dynamiek toegepast, maar zijn uitzonderingen. De kunstmatige bewerking van Alex Turners stem creëert een afstandelijkheid van de luisteraar: nooit, zelfs niet in de ballades, zingt hij de luisteraar direct toe, maar lijkt hij altijd ver achterin een oude, houten hooischuur te staan. Omdat hij ook zijn stem zelden volledig inzet, wordt het album een monotone aaneenschakeling van lompe gitaarmuziek en galmend gemompel die voortdreunt en nooit op gang komt.
De band biedt geen redding: hoewel Matt Helders nog altijd een rammende, levendige drummer is, wordt hij nooit genoeg op de voorgrond geplaatst om een verschil te maken. De grootste missers op het album zijn de kopstemmen van de band, die lui en niet overtuigend klinken en Alex steeds een octaaf hoger volgen. ‘One For The Road’ is met zijn ironische ‘woo-hoos’ sporadisch zelfs tenenkrommend. Jamie Cooks gitaar blijft het hele album vastzitten in twee standen: fuzz of echo.
Afbeelding: Kicking the Habit