Hoewel L’Amour est un Crime Parfait van al deze genres wat leent, is het geen komedie, geen echte whodunnit, geen thriller. Juist door geen duidelijke richting te kiezen, schept de film een onbehaaglijk en onbestemd gevoel.
Een kleine man van middelbare leeftijd, affaires met jongere en langere vrouwen en de ene sigaret na de andere: ook al speelt het zich net over de grens in Zwitserland af, alles aan L’Amour est un Crime Parfait is Frans. En waar Frans bij mij nog wel eens tot onbegrip leidt, zo ook deze film. L’Amour is een onschuldig detectiveverhaaltje over een gluiperige docent, zijn scharrels en een verdwijning, het verhaal is vrij rechtlijnig en niet bijster origineel. Toch borrelt er iets onder de oppervlakte waar niet direct patat van te bakken valt, maar is dat nu positief of negatief?
Marc (Mathieu Amalric) is een ouwe snoeperd, maar geef hem eens ongelijk. Als literatuurdocent aan de universiteit van Lausanne geeft hij schrijflessen aan knappe jonge vrouwen, waarvan hij er soms eentje meeneemt naar de sneeuwhut van hem en zijn zus Marianne (Karin Viard). Zij bewonen deze eenzame plek al sinds hun zware jeugd en hebben een wat incestueuze en jaloerse relatie met elkaar. Een van Marcs veroveringen is Barbara (Marion Duval), een wulpse studente die een dag later verdwenen blijkt te zijn. Marc raakt in contact met haar stiefmoeder Anna (Maïwenn, de buitenaardse operazangeres uit The Fifth Element), met wie hij ook een relatie begint. Tegelijkertijd wordt Barbara’s verdwijning onderzocht door een rechercheur (Damien Dorsaz), flirt Marianne tot ongenoegen van Marc met zijn collega Richard (Denis Podalydès) en probeert een studente van goede komaf (Sara Forestier) met Marc aan te pappen. Marcs rol in de verdwijning, zijn relatie met zijn zus en de verschijning van Anna in zijn leven zijn op z’n minst dubieus en het helpt niet mee dat hij last heeft van gaten in zijn geheugen.
L’Amour, naar de roman Incidences van Philippe Djian, heeft een vreemd tempo, de kijker lijkt constant achter te lopen op de feiten. Sommige verhaallijnen worden half uitgewerkt en laten het publiek met de nodige vragen achter. Is hier sprake van bewuste vervreemding van regisseursbroertje Larrieu of een slecht uitgewerkt scenario met losse eindjes? Ik ben er nog niet uit, maar gun les frères Larrieu voorlopig het voordeel van de twijfel. Juist het weglaten van kennis maakt dat de film, die nergens écht spannend is, toch een onbestemd en beklemmend gevoel achterlaat. Wat daarbij helpt is de locatie: enerzijds het verlaten sneeuwlandschap waar Marc met zijn zus woont, anderzijds de steriele en futuristische universiteit van Lausanne, vol vreemde architectonische glooiingen en glazen transparantie. Hetzelfde geldt voor de casting: Marcs gezicht is enerzijds onschuldig, maar lijkt anderszijds ook geheimen te bevatten. Ook de vreemde, imperfecte schoonheid van Maïwenn wijst ons dat er iets fout zit, maar het lukt niet om de vinger erop te leggen.