Van woensdag 19 tot en met zondag 23 maart vindt in Utrecht het Holland Animation Film Festival plaats. Vijf dagen lang staat de stad in het teken van animatiefilm, met een selectie van zo’n 400 films. Het HAFF biedt animatie in de brede zin van het woord, van beeldinstallaties tot gamedesign en van studentenfilms tot films van gevestigde filmmakers.
Wie dacht dat de geëngageerde kinderanimatie een product is van de zeventiger en tachtiger jaren en ophield bij Alfred Jodocus Kwak, komt bedrogen uit. De stop-motionoperette Lisa Lemone & Maroc Orange van de Estlandse regisseur Mait Laas combineert vluchtelingenproblematiek en marxisme met je dagelijkse portie vitamines. Aan de hand van een grote variatie aan stijlen en verwijzingen wordt de realiteit van de stroom illegalen die vanuit het Afrikaanse platteland de Middelandse Zee oversteken verteld in een verhaaltechnisch soms wat hectische, maar desalniettemin zeer originele en gelaagde animatiefilm.
Het verhaal is simpel, maar actueel. Met een bootje vlucht een groep sinaasappels vanaf hun thuisland via de Middelandse Zee naar het land van de citroenen. Ze hebben hun laatste geld aan een schimmige mensenhandelaar gegeven in de hoop in het nieuwe land een nieuwe toekomst op te kunnen bouwen. De vluchtelingen lijden schipbreuk en stranden op het strand van de citroenen. Maroc Orange is de enige overlevende en komt in een pastasausfabriek terecht waar hij en andere illegalen wordt uitgebuit door de strenge citroenen. Tegelijkertijd wordt het verwende citroenenmeisje Lisa Lemone steeds meer geplaagd door haar hormonen en snakt ze naar een vent. Van een zeeschelp hoort ze het tragische verhaal van Maroc Orange en besluit hem te bevrijden uit de verkapte slavernij, in ruil voor zijn liefde. Het verhaal gaat soms van de hak op de tak en is bijvoorbeeld vrij bruusk afgelopen, maar de vorm en aankleding maken veel goed.
Het gegeven van een opera met vruchten klinkt een beetje als de Soupe Opera–filmpjes die in de jaren negentig bij Villa Achterwerk verschenen, maar vergis je niet: met zingend fruit kun je een heel stuk meer. Dit geëngageerde liefdesverhaal wordt gepresenteerd in de vorm van een operette, compleet met een naargeestige explicateur en film-in-een-film. Elk personage heeft een eigen muzikale stijl. Regisseur Mait Laas doet geen moeite om te verbloemen welke landen hij impliceert: de sinaasappels spreken Frans en luisteren rai, de citroenen spreken Italiaans en maken pastasaus. Daarnaast zingt elk personage in een eigen muziekstijl: Maroc in hoopvolle musicalklanken met een Noord-Afrikaans tintje, Lisa in italo-pop voor tieners, de citroenen in de fabriek in statige muziek met een industriële ondertoon. Het opvallendst is daarbij de zeeschelp, die als enige in het Engels zingt, begeleid door basso continuo en klavecimbel in een barokidioom. Het is een heldere verwijzing – ook gezien het licht archaïsche Engels dat hij hanteert, ‘let me weep’ – naar de kameropera Dido and Aeneas van Henry Purcell, dat tevens gaat over een prinses die wacht op haar overzeese prins.
Ook zit er in muziek en beeld een stevige knipoog naar marxistische theorieën over de onderdrukking en opstand. De sinaasappels worden dusdanig uitgebuit dat ze niets anders te verliezen hebben dan hun ketenen en middels een revolte nemen ze de productiemiddelen over van de citroenen. Ze verenigen zich met de tomaten die ze in de pastasaus verwerken en drinken voortaan alleen nog maar chemicaliën, zodat er geen enkele vrucht nog hoeft te worden uitgeperst. De idealen van de Franse revolutie worden bezongen in een moderne bewerking van socialistische strijdliederen. Helaas blijkt het sinaasappelsocialisme een utopie.