Review: I Hate Running Backwards

Joost Klein Middelink, 02 juni 2018
Profiel
I Hate Running Backwards is een erg simpel spel. Het ziet er wel grappig uit en er zijn een hoop powerups. Toch voelen alle indie-personages aan alsof ze het spel interessanter moeten maken dan het eigenlijk is. Helaas is er weinig verschillen tussen de personages en de gameplay is erg repetitief. Daarbij straalt het geen karakter uit. Het is een prima spel voor tussendoor maar niet meer dan dat.

I Hate Running Backwards is een arcade-shooter (shoot-em-up) van de makers van Serious Sam en uitgever Devolver, bekend van een hoop indie-games. Het spel is eigenlijk een shoot-em-down-spel in plaats van een shoot-em-up. Dat houdt in dat in plaats van omhoog te gaan en de vijanden tegemoet gaan zoals bij traditionele spellen uit dat genre, je de actie nu vooral achter je vindt. Je loopt namelijk constant vooruit terwijl de vijanden achter je aan rennen. Wij moesten erg wennen aan deze omschakeling, maar dat duurde gelukkig niet zo lang.

Er zijn een hoop indie-games die hun personage hebben geleend aan I Hate Running Backwards. Denk daarbij aan personages zoals Lo Wang van Shadow Warrior, Bullet van Enter The Gungeon en Richard van Hotline Miami. De grafische sfeer van de gehele game en zijn personages deed ons sterk denken aan Minecraft. De vraag is of I Hate Running Backwards zijn eigen karakter heeft, of juist enorm leunt op de populariteit van de andere spellen.

Bij het opstarten van het spel zijn er maar een paar personages beschikbaar. Elk personage heeft unieke vaardigheden en een speciale kracht om te gebruiken in de chaos. Want chaos wordt het snel. Na enkele seconden beginnen de eerste vijanden al achter je aan te rennen moet je ze uitschakelen voor ze je bereiken. Je kunt slechts een paar keer geraakt worden voor je af bent. Zodra je geraakt bent, krijg je ook geen ruimte om op adem te komen; je kunt direct opnieuw geraakt worden. De eerste paar potjes zul je snel de dood bereiken, vanwege de grote hoeveelheid chaos op je scherm. Zeker omdat alle omgevingen vernietigbaar zijn, zorgt dat voor veel blokjes op je scherm. Zo weet je niet altijd goed of iets een vijandig projectiel is of juist een power-up.

Ondanks dat het beeld dus rommelig aanvoelt, heeft de game wel het perfecte ‘nog-een-potje’-gehalte. Tenminste, als je wat verder komt in het spel en meer vrijspeelt. De eerste paar uur zullen gemiddelde gamers zich wellicht gefrustreerd voelen vanwege het vele doodgaan. Pas daarna wordt het uitdagend omdat je het spel begint te kennen. Tegen die tijd wordt ook pijnlijk duidelijk dat de game niet zo heel veel te bieden heeft. Elk level lijkt op elkaar omdat ze procedureel worden gemaakt, waardoor elk potje anders zou moeten zijn. Tegelijkertijd heeft geen enkel level echt een karakter.

Door deze tekortkomingen voelt I Hate Running Backwards aan als een game voor even tussendoor. Geen hoogvlieger, maar prima om een paar minuten te spelen. Tijdens deze potjes is het gelukkig wel spannend. De blokjes vliegen je om de oren terwijl je grote wezens kapot schiet met raketten en grote mammoeten ontwijkt. De verschillende personages voegen niet bijzonder veel toe. Zodra je een favoriet hebt gevonden, zul je de andere personages nauwelijks meer aanraken. Tijdens potjes kun je extra vaardigheden verdienen waardoor je steeds sterker wordt. De vijanden worden ook beter dus voelden we ons nooit te sterk.

Helaas is I Hate Running Backwards niet de indie-topper die het had kunnen zijn vanwege zijn karakterloze levels, chaotische gameplay en weinig dynamische personages. Het is wel vermakelijk voor tussendoor en schiet lekker weg. De korte potjes zijn ideaal om even te genieten, want hoe langer je speelt, hoe pijnlijker duidelijk wordt dat het inhoudelijk weinig biedt.