Een kritische noot haalt niet altijd het beste in ons naar boven.
Onlangs schreef ik voor NieuwerwetsTV een kritische recensie over het ontluikende Utrechtse kunstproject Knalland. De hoofdpunten uit het artikel waren dat de muziek te gezapig, te sentimenteel en niet origineel is, ten gevolge van een ogenschijnlijk onkritische, passieve creativiteit, maar dat het initiatief zowel talent als productiviteit heeft getoond, wat het een hoopgevend geheel maakt. Hoewel een aantal het er mee eens waren, lieten sommigen hun onvrede over het stuk duidelijk merken.
Wat van het artikel gevonden wordt deert me weinig: de mening is de eigen. De reacties waren op zich erg mild, maar ze tonen precies de anti-kritische houding die ik schadelijk acht voor de ontwikkeling van het ‘poplandschap’. Eerst in een column over het ontbrekende kritische element rondom de hoorzitting popmuziek en de bijbehorende muzikanten, daarna over Mister & Mississippi als schoolvoorbeeld van gedoemde imitatie van een vreemde taal en cultuur en als laatste in de recensie. De noodzaak hierin lag mijns inziens in de overdaad aan de eenheidsworst van de Utrechtse muziekwereld, waar Knalland kunstig aan bijdraagt.
In Paul Thomas Andersons film The Master wordt het belang van kritiek helder verwoord, in een gesprek tussen de spirituele meester (Dodd) en een sobere scepticus (More):
John More: You can understand skepticism, Can you not?
Lancaster Dodd: Yes, Oh yes yes. For without it we’d be positives and no negatives. Therefore zero charge, we must have it.
Kritiek is onaangenaam, vooral wanneer het ongegrond of ondoordacht lijkt. Elke jandoedel kan eenvoudig achter zijn laptop schuiven en een wedstrijdje azijnpissen houden, ik ben ten slotte zo’n jandoedel. En die kritiek gaat ten koste van een product waar iemand dagenlang zijn hart en ziel in stortte en terecht trots op kan zijn. Het zwoegen versus de eenvoud om het af te branden is onevenredig. Een hoop van de gekoesterde wrok is niet onterecht. Maakt dat kritiek echter waardeloos en overbodig? Mijn overtuiging is van niet; het is nodig om te groeien. Sowieso is de verhouding positieve tegenover negatieve beschouwing in ieder geval in Nederland erg scheef, wat enigszins de balans herstelt.
Dat maakt kritiek daarentegen niet altijd nodig. Recensenten als Robert Christgau zeggen liever weinig over een album dat ze niet aanstaat, al laten ze een oordeel niet achterwege. Nog een stap verder gaat Nederlandse ‘indie’-website met Engelse naam Kicking The Habit, die aan negativiteit blijkbaar een broertje dood heeft. Als laatste is er dan de enorme, prijswinnende website Pitchfork, die geen woorden vuil maakt aan de recensie van Jets Shine On. De laatste twee zijn echter allerminst productief. Mijn doel is niet om af te branden, maar juist om bij te dragen.
Maar als je de rancuneuze reacties van sommigen moet geloven, zijn alle ‘popjournalisten’ tuig van de richel. Was de recensie van Knalland echter zo respectloos, ondoordacht of zelfs zo persoonlijk gericht dat het het gebruik van ad hominems onmiddellijk noodzakelijk werd? Want dat waren de eerste tweets. Dan is de erkenning van een boer met kiespijn die anderen toonden een flinke verademing. Het meest zonde is uiteindelijk het anti-intellectuele standpunt, dat zich moedwillig blind maakt voor het debat ter bescherming van de eigen positie.
@pimvandewerken @knalland @tommyebben @maartenrischen 🙂 haha! Ik vind het album te gek trouwens, heb daar geen 6 alinea’s voor nodig.
— Henk Kanning (@henkkanning) 20 mei 2013
Zo blijft er geen discussie meer over. Want ondanks de lange tenen, de rancune, het sarcasme en de lichte beledigingen is er nog steeds geen inhoudelijke respons gekomen, of op zijn minst een kritiek op mijn schrijfstijl (wat vrij makkelijk is, al is het minder relevant).
Ik wacht nog steeds op een antwoord.